Het is niet al goud wat er blinkt
In de wereld van het vervoer komen sommige vragen alsmaar terug: Wt is de ideale grootte ? Moet je wel uitbreiden ? Kunnen wij op een Europese markt die permanent evolueert onze activiteiten nog verder ontwikkelen ? Kunnen wij nog geld verdienen in de transportwereld ?
Een paar voorbeelden kunnen ons wat meer leren. Het eerste is een bedrijf met een 20-tal personeelsleden, een 10-tal vrachtauto’s en wegcombinaties, allemaal in andere kleuren. Een vrij recente opslagplaats van 2.500 m2 staat naast een nieuwe hal in opbouw, met dezelfde oppervlakte. Op het eerste gezicht lijkt het niet echt briljant. Na een eerste gesprek met een “ouderwetse” baas ontdek je een bedrijf met een goede rentabiliteit, niet de minste schulden, veel gezond verstand. En je stelt vast dat er in de staf kaders uit groepen zijn, heel blij dat zij een steentje kunnen bijdragen tot de discrete bloei van die onderneming. En je stelt vast dat dat de aankoop van materieel gebonden is aan de mogelijkheden: collega’s die ermee stoppen, vragen op internet, een paar overnames. Discretie rijmt hier met rentabiliteit en kredietwaardigheid.
Andere plek, andere grootte. Meer dan 100 motorvoertuigen, allemaal perfect onderhouden. Een sterk imago, waaraan al jaren wordt gewerkt. Enkele tienduizendtallen m2 opslagplaatsen. Dé onderneming van een regio. Op het eerste gezicht werkt alles, maar waar de logistieke activiteit, ondergebracht in een afzonderlijke juridische entiteit, mooi winst maakt, geldt zulks niet voor het wegvervoer. Voeg daarbij een vakbondsdelegatie die nog leeft van eisen uit de vorige eeuw. Dit bedrijf lijdt forse chronische verliezen door de schier gelijktijdige invoering van de Maut in Duitsland en de openstelling van de grenzen voor de transporteurs van de nieuwe Europese landen, het probleem om een deel van de vloot te delokaliseren, een prijzenoorlog, de nieuwe digitale tachograaf, een restrictieve reglementering van de werktijden, het verlies van een grote klant, een verzwakte directie en een onmogelijkheid terug in het zwart te gaan werken. Kortom een zieke waarvan de overleving afhangt van een paardenmiddel.
Een ideale grootte bestaat niet. De toekomst hoort de familiale bedrijven die hun groei beheersen, die investeren in de nieuwe technologieën, de telematica bijvoorbeeld, die voldoende eigen middelen hebben, die zichzelf in twijfel durven trekken, die de juiste strategische beslissingen nemen. En die een zeker “gezond verstand” over de werkelijkheid behouden.
Jean-Marie Becker
| 29/05/2011 | Jean-Marie Becker
|